De gevangenen van Ruathym

Lady Saharel

7 januari 2011

Jullie staan nog steeds in de ruimte met de zeven pilaren, waarvan er 1 ontbreekt. Yargo, Bakero en eerste matroos van Yargo Bram staan onderaan een stenen trap. Yargo kijkt jullie opgelucht aan. Boven klinken de laatste geluiden van schermutselingen.

Yargo:
“Het doet mij deugt mijn kleine aapjes nog in leven te zien. Het past een boekanier niet, wanneer hij zijn lading aan zijn lot over laat, wanneer hij die heeft afgeleverd. Waarom zijn jullie geen afscheid komen nemen in Velen? We waren daadwerkelijk ongerust. Bakero hier heeft geen oog dicht gedaan!
4 man bracht ik aan wal in Velen. En u staan er 5 figuren voor mijn niet onaatrekkelijke neus. En de samenstelling is veranderd? Waar, vraag ik jullie is Joachim? En wie is deze alleraardigste jongedame?
Nu vragen jullie jezelf natuurlijk af: wat doet die drommelse Yargo nu zo diep landinwaarts? Is hij geen eerbiedwaardig boekanier die onverschrokken de zeeen afschuimt op zoek naar kraken? Is hij geen stoutmoedig kapitein, die al bij de gedachte aan het binnenland het zweet op het voorhoofd krijgt?
Nu, met het complete verslag van de afgelopen week zal ik jullie niet vermoeien. Hoewel ik een begaafd spreker ben, dat staat buiten kijf. Zou ik de tijd nemen onze avounturen in geuren en kleuren uit de doeken te doen, dan zou ik jullie allerminst vervelen! Sterker nog, ik zou jullie zelfs vermaken! Ware het niet dat de ontwikkelingen van de afgelopen tijd geen liederlijke oprakeling verdienen. Daar zijn ze te treurig voor.
Het was op dezelfde morgen waarop jullie van mijn schip – na er jullie roes te hebben uitgeslapen – naar de tempel van Durma vertrokken. Zo rond het tiende uur in de morgen, zagen wij vanuit de haven rookpluimen uit de stad opreizen. Uit de richting van de tempel. Ik was er al wel van gewaar dat jullie zaak in Velen een ongewone was, dus ik maakte mij direct zorgen. Ik ben nu eenmaal een gevoelig mens.
Bakero meldde zich niet veel later bij mijn schip en rapporteerde dat het stadscentrum in puin lag en dat tientallen bemantelde lieden de boel kort en klein sloegen en alles in de fik te steken wat maar brandbaar was.
Onverschrokken, koen en fluks leidde Bakero ons naar de tempel van Durma in de hoop jullie te kunnen beschermen tegen het al genaderde onheil. Wat wij aantroffen roerde ons tot tranen: Durma lag hevig bloedend op de grond, een mes van Netheril in haar borst. Wonderwel leefde zij nog en met haar laatste woorden gaf zij aan het portaal naar hier net op tijd te hebben verwoest. Het is haar duur komen te staan. Haar laatste wens was dat wij in alle haast naar Rhuathym zouden afreizen, om vervolgens naar hier af te reizen om jullie bij te staan en jullie hier vandaan te halen. Ze wist duidelijk af van de mogelijkheden van mijn schip, wat mij niet verbaasd. Mijn reputatie snel mij wel vaker vooruit. Maar ik vergeefd het mijn reputatie. Zij kan natuurlijk de drang niet weerstaan de wereld van mijn daden te vertellen!
Verder verzocht ze mij jullie naar Cormyr te brengen, naar Suzail om precies te zijn. Daar moesten jullie generaal Winter ontmoeten, het hoofd van haar Orde. Hij zou jullie beschermen en begeleiden.
Och ja, voordat ik het vergeet. Ik reisde natuurlijk niet voor niets naar Rhuathym. Op het strand trof ik deze twee figuren aan.”

Van de trap komen een vrouwlijke dark-elf en een mannelijke elf gelopen. De vrouw herkennen jullie als Fillith, de Drow die jullie bevrijdde uit de gevangenis van Rhuathym. De man herkennen jullie niet, behalve Tira die een golf van herkenning door zich heen voelt gaan. Ze herkent hem als Varis, haar geliefde uit het leven dat zij zich niet herinnert.

Dan verschijnt er vanuit het trapgat een goud licht naar beneden.

De top van de toren is een woestenij van dode lichamen van Thorans dienaren. Sommigen gedood met zwaarden en pijlen. Andere lijken zijn zwartgeblakerd door het vuur dat waarschijnlijk hun doodsoorzaak was. Boven de toren zweeft de Betraande Boekanier, Yargo’s schip. Naast jullie is er niemand anders te zien.
Er waait een gure droge wind die zacht maar indringend fluit. De hemel is inktswart, een zwaar wolkendek belemmert het schijnsel van de maan en sterren.
In het midden van de top van de toren zweeft een gouden schim. Wanneer jullie ogen aan het felle licht zijn gewend, ontwaren jullie de contouren van een vrouw, gekleed in lange gewaden. Ze kijkt jullie aan met een mistroostige glimlach. In jullie hoofden klinkt dan een warme vrouwelijke stem die zegt:

“Het doet mij deugd enkelen van de Erfgenamen van Mystra te zien, wiens namen ik eerder noemde als enkelen die zouden kunnen fungeren als de elementaire bestanddelen voor het ritueel dat de aarde en kosmos zou kunnen herschikken. Bih’lur Darane uit Baldru’s Gate. Gloin Gloinsen uit Impiltur. Sue Corleone uit Luskan. Varis Birel uit Elfharrow. En ook jij Hhargrek, hoewel je dat in eerste instantie niet verwachtte. Oo de anderen heet ik welkom in wat rest van mijn woonplaats.
Dank voor de dienst die jullie mij hebben verleend. Ik ben gehecht aan mijn onafhankelijke positie en had die niet graag op willen geven voor de nukken en het opportunisime van een psychopaat. De macht waarover ik beschik gedijt niet goed onder het juk van de wellust naar aardse macht.
Jullie kennen waarschijnlijk de regels. Ieder van jullie mag mij een vraag stellen en ik zal antwoorden. Sluit uw ogen, stel in gedachten uw vraag en ik zal u tonen wat er in vroegere tijden heeft plaatsgevonden, wat er nu plaatsvindt of wat er in de toekomst het liefst zou plaatsvinden.”

(zie “items” voor alle voorspellingen)

Nadat alle vragen beantwoord zijn, liggen Bram, Bakero, Hhargrek en Gloin rillend en stamelend op de grond. Ze leiden aan de ziekte van Saharel: ze kunnen de inzichten die ze hebben verkregen niet bevatten en zijn in shock. Saharel neemt weer het woord:

“Dan rest mij nog een verzoek. De man genaamd Thoran was er haast in geslaagd mij een hem te binden. Ik vraag u om de kristallen die zich onder jullie voeten bevinden te plaatsen in de tombe van mijn goede vriend Kuryon. De abdij zal ze beschermen tegen verder kwaad. Ik zal hier blijven en zo nu en dan verschijnen als Lady Saharel.”

De spelers voeren uit wat Saharel van ze vraagt, maar ze nemen 1 kristal met zich mee op Yargo’s schip. Na ampel beraad wordt er besloten om naar Suzail af te reizen, om daar generaal Winter op te zoeken en bij hem meer antwoorden te verkrijgen.

De spelers zien tijdens hun reis – wanneer ze het gebergte van de Storm Horns oversteken naar Suzail – een aanzienlijk leger vanuit het noorden richting Suzail trekken. Dit leger kan binnen twee weken voor de poorten van de stad staan. De spelers schatten het aantal troepen op zo’n 20.000. Ze zien zowel de banieren van Shar als van Netheril. Ook nemen ze de aanwezigheid van Thaaluds waar, gigantische stenen monsters die bij voorbaat gebruikt worden bij belegeringen. Tenslotte zien ze dat het leger wordt gevolgd door een aanzienlijke legertros van in lompen gehulde fanatiekelingen.

De sessie eindigt met een gevecht tussen de spelers op Yargo’s schip en vliegende verkenners van het leger. De strijd is hevig, maar voordat Bih’lur buiten westen wordt geslagen, weet hij een van de vliegende Veserabs in slaap te toveren, waardoor Veserab en de Shadar Kai strijder naar de aarde storten. Fillith weet met een strop van schaduw een andere Shadar Kai van zijn Veserab te trekken, waarna de Veserab de vrijheid kiest. De laatste heldendaad wordt door de nieuwe Varis verricht, die vanuit het kraaiennest op de rug van een Veserab weet te springen en na enkele pogingen erin slaagt de Shadar Kai-berijder de diepte in te duwen. Met enige moeite brengt hij de Veserab aan boord van het schip, waarna het beest vastgebonden wordt.

Yargo’s Schip vervolgt zijn weg naar Suzail zonder nog enige hinder te ondervinden.

Comments

DmDorus

I'm sorry, but we no longer support this web browser. Please upgrade your browser or install Chrome or Firefox to enjoy the full functionality of this site.